Print This Page

Epigenetische factoren en voeding

De epigenetische invloed van voeding en additieven

Inhoud

Smaakversterkers
Histamine
Exorfinen
Gluten
Zuivel
Kwik uit voeding
Suiker
Vetten
Junkfood, de nieuwe drug

Smaakversterkers

Uit recent onderzoek blijkt dat het DPP-IV-enzym de hoeveelheid endorfine reguleert in de hippocampus en de hypothalamus van de hersenen R. Volgens dit onderzoek is mononatriumglutamaat – een veelvuldig gebruikte smaakversterker in voeding – een DPP-IV-enzymremmer. Door de afgenomen DPP-IV-activiteit worden er minder exorfinen afgebroken. Hierdoor neemt de kans op endorfine/dopamineresistentie toe. Dit laatste is een van de voornaamste oorzaken van ADD, ADHD, depressie en andere psychische stoornissen.
Bij muizen toonde men aan dat mononatriumglutamaat tijdens de neonatale fase de endorfinespiegel in de hersenen met 70% verlaagde R . Dit effect bleef aanhouden zodra de muizen volwassen werden.

Histamine

Endogene histamine

Histamine is biogene amine. We maken onderscheid tussen endogene en exogene histamine. Endogene histamine wordt aangemaakt in de mestcellen en de basofiele granulocyten. Dit gebeurt naar aanleiding van een immuunreactie met de klassieke allergiesymptomen, zoals waterige ogen, loopneus, misselijkheid, jeuk en rood oplopen. Hierbij maken we onderscheid tussen de IgE- en de niet-IgE-gemedieerde allergieën. IgE-allergieën ten gevolge van voeding komen maar bij 0,5% van de bevolking voor. Meestal betreft het niet-voedinggemedieerde IgE-allergieën zoals hooikoorts.

Endogene histamine komt het vaakst voor naar aanleiding van casomorphin-7, een exorfine uit melk. Deze opioïden veroorzaken een niet-allergische immuunreactie waarbij grote hoeveelheden histamine vrijkomen door de mestcellen R en R2.  In 2003 werd voor het eerst aangetoond dat melk-exorfinen de mucus productie verhogen R. Hierdoor kunnen ze diverse klachten zoals overmatige slijmproductie in de luchtwegen, astma en andere luchtweginfecties en otitis media. Ze dragen ook bij aan de epidemie van inhalatie allergieën. Vaak zijn artsen er niet van op de hoogte dat basofielen (de bloedcellen die histamine vrijgeven) ook histamine kunnen vrijlaten zonder allergische oorzaak.
Histamine komt vrij in het eerste stadium van een inflammatie, daarna gevolgd door prostaglandines, lymfokines and monokines. Mangosteen werkt vaak heel goed om zowel de histamine als de prostaglandines af te remmen R. De histamine-prostaglandine route is een sterke activator van het stresssysteem, waardoor zowel endorfine als cortisol behoorlijk kunnen toenemen met na langdurige belasting een resistentie van beide stoffen tot gevolg. Mensen met autisme, CVS, fibromyalgie en andere stressgekoppelde klachten kunnen vaak erg goed geholpen worden door mangosteen in te zetten. Gebruik dan het liefst een mangosteenextract met een percentage van 40% mangostines (xanthones), de actieve stof.

Exogene histamine

De exogene histamine komt uit voeding. Vooral caseïne kan grote hoeveelheden histamine vrijmaken R, wat verklaart waarom een caseïne-vrij dieet astma en andere respiratoire aandoeningen kan genezen.
Histamine veroorzaakt vooral jeuk en stressovergevoeligheid. Het kan ook hartkloppingen en hartritmestoornissen veroorzaken omdat histamine zorgt voor een toename van het stresshormoon CRH. Een uitgebreid Nederlandstalig artikel kun je op deze pagina terugvinden.  Histamine-intolerantie ontstaat door een tekort van het enzym diaminoxidase (DAO) dat histamine afbreekt. Histamine kan prikkelbare darm R, migraine R, restless legs R, hyperausal, hyperactiviteit en andere ADHD-achtige klachten veroorzaken R. Histamine zit bijvoorbeeld in smaakversterkers en kleurstoffen in voeding. Ondermethylering is een vaak vergeten oorzaak van histaminetoename R en R2 .

Verband met het DPP-IV enzym

Een van de immuunfuncties van het DPP-IV-enzym is het afbreken van histamine, zowel in de darm als in de bloedbaan R. In 2007 werd voor het eerst aangetoond dat de epitheelcellen van de luchtwegen ook het DPP-IV enzym produceren R. Hierdoor draagt het DPP-IV enzym bij tot het verminderen van de allergische klachten (bv. inhalatieallergieën zoals gras- en/ of boompollen, huisstofmijt, dierlijke huidschilfers en/ of schimmels) en andere respiratoire aandoeningen zoals astma en COPD. Onderzoek wijst uit dat het remmen van het DPP-IV-enzym zorgt voor een toename van de respiratoire klachten en vermoeidheid R. Baby’s van moeders met een DPP-IV-enzymprobleem hebben vaker last van allergieën, astma en huidproblemen R. Smaakversterkers remmen het DPP-IV-enzym af en verhogen het histaminegehalte.

Exorfinen

Een uitgebreide beschrijving vindt u in het hoofdstuk exorfinen.

Gluten

In 1745 werd het woord gluten voor het eerst gebruikt in de westerse wereld, door een zekere Beccari. Gluten bestaat uit het in alcohol oplosbare prolamine en het in alcohol oplosbare glutenine. Prolamine is het hoogst geconcentreerd in tarwe en het minst in spelt. Andere prolamine bevattende granen zijn kamut, gerst en rogge. Deze vijf granen dienen vermeden te worden bij een glutenvrij dieet. Haver bevat geen gluten (prolamine), maar is geregeld ‘besmet’ met prolamines van andere granen.

Volgens verschillende bronnen heeft 40 tot 70% van de bevolking een of ander genetisch conflict met gluten. Dit verklaart ook waarom mensen zich energieker gaan voelen als ze een sappenkuur, een caseïne- en glutenvrij dieet of het paleodieet (oerdieet) volgen. Ook blijkt uit epigenetische onderzoeken dat het weglaten van zuivel en gluten diverse aspecten van de gezondheid bevordert. Gluten heeft de eigenschap dat het pas na 20 tot 40 jaar ziekten kan veroorzaken zoals kanker, de ziekte van Parkinson en (auto)immuunziekten. Als de ziekte zich eenmaal heeft geopenbaard, is het erg moeilijk om de ziekte alsnog te genezen. Aandoeningen zoals CVS en auto-immuunziekten hebben soms een genetische orthomoleculaire behandeling van twee à drie jaar nodig voordat het herstelproces van start gaat.

De glutenproblematiek is dusdanig uitgebreid en complex dat er in Amerika artsen zijn die zich uitsluitend hebben gespecialiseerd in de gluten pathologie. Een voorbeeld is dr. Peter Osborne van Glutenfree Society.

Historici hebben sterke aanwijzingen dat onze prehistorische voorouders weinig granen aten. Dat is ook niet zo verwonderlijk: het oergraan was zeer klein en verloor de meeste graankorrels tijdens het rijpingsproces. Prehistorische mensen moesten heel wat (complexe) bewerkingen uitvoeren. Ze moesten het graan verzamelen, malen, mengen met water en vervolgens bakken. Het zou ongeveer tot 7.000 jaar voor onze jaartelling duren voordat de mens deze methode ging toepassen. Dat gebeurde voornamelijk in Oud-Egypte dat vanwege de vruchtbare Nijlvallei gezien kan worden als de ‘graanschuur’ van de landen rond de Middellandse Zee. Tarwe maakte het mogelijk om beschavingen te vestigen en uit te breiden via georganiseerde oorlogen. Er zijn bewijzen dat met het invoeren van tarwe in Oud-Egypte en Rome de beschavingsziekten zoals diabetes, zwaarlijvigheid en kanker sterk toenamen. 75% van de calorieën en 50% van de eiwitten in de wereld worden geleverd door tarwe, rijst en maïs. Glutenbevattende granen worden in de veeteelt gebruikt om vee te doen zwellen, waardoor ze snel in gewicht toenemen.

  • In tegenstelling tot glutenine zorgt prolamine voor de meeste allergische en/of darmklachten. In zeer geringe mate gaat het dan om de klassieke IgE-reacties (minder dan 2%), maar meestal gaat het om IgA- of IgG- of niet-immuungemedieerde voedselovergevoeligheden.
  • Meer dan 97% van de glutenovergevoeligheden is niet traceerbaar via een klassiek IgE- of coeliakieonderzoek. Reguliere artsen houden alleen rekening met deze twee (achterhaalde) onderzoeken.
  • Meer dan 80% van de mensen met een glutenovergevoeligheid heeft geen darmklachten.
  • Prolamine en glutenine zijn beiden exofinen leveranciers. Een molecuul glutenine bevat 15 exorfinen peptiden R (exorphin A5, B5 en B4) . De zogenaamd glutenvrije bloem van de boerenbond bevat nog 25 mg gluten/kg (tarwezetmeel). Bij mensen met een hoge exorfinenbelasting en coeliakie kan dit nog steeds hevige reacties veroorzaken. Bij mensen zonder glutenintolerantie kan gluten een DPP-IV-enzymremming veroorzaken als ze te veel gluten consumeren (door de drempelwaarde van DPP-IVR .
  • In een recent onderzoek werd aangetoond dat gluten een belangrijke oorzaak is van kanker en de detox-ratio vermindert R. Hierdoor kunnen mensen moeilijker geneesmiddelen, organofosfaten en andere chemische stoffen elimineren uit hun lichaam.
  • Volgens Hogan R loopt de kanker- en ADD/ADHD/ASS-pandemie samen met de toegenomen consumptie van tarwe en vaccinaties met thimerosal. Beide factoren versterken elkaar, aangezien thimerosal het DPP-IV remt en tarwe de voornaamste exorfineleverancier van gluten is. Beide factoren veroorzaken een exorfine-intolerantie met endorfine- en dopamineverstoringen tot gevolg. Een onderzoek uit 2011 wijst inderdaad uit dat gluten een kankerpromotor is R.
  • Gluten (gliadine) veroorzaakt een sterke toename van zonuline R. Zonuline is een directe oorzaak van leaky gut.
  • Gluten is een antinutriënt R, het verhindert de opname van andere voedingstoffen (bv. vitaminen en mineralen) waardoor vergelijkbare  verschijnselen als ondervoeding kunnen ontstaan.
  • Een van de complicaties van gluten is epilepsie. In het volgende Nederlandstalige artikel wordt een casebeschrijving tussen gluten en epilepsie uitgelegd R.
  • Gluten vermindert de ‘goede’ bacteriën in de darm, ook bij gezonde mensen R.
  • Exorfinen uit gluten verminderen de dopamineaanmaak in de hersenen, zonder dat ze daarvoor de hersenen moeten ‘bereiken’ R. Ze beïnvloeden het centrale zenuwstelsel via verhoging van het prolactine hormoon (buiten de hersenen).
  • Wat minder bekend is, is dat glutenintolerantie een belangrijke oorzaak is van (bv. latent) overgewicht. Exorfinen uit gluten verhogen de insulinevrijgave R waardoor iemand ‘constant honger’ heeft. Ook ontregelen ze het DPP-IV enzym R en het endorfinesysteem R, twee belangrijke factoren in de regulatie van insuline en dopamine. Een dopaminetekort is de belangrijkste oorzaak van ‘eetaanvallen’. In feite versterkt de insulineresistentieproblematiek de onderbezetting van dopamine, aangezien de insulinereceptoren (afname bij resistentie) de dopamineafgifte stimuleren R. 

Zuivel

De mens is de enige diersoort die melk consumeert na de neonatale fase en bovendien van andere diersoorten. Dat doen we nog maar 5.000 jaar, maar vooral door toedoen van reclamecampagnes en melkoverschotten is het de laatste decennia helemaal uit de hand gelopen. Dit wordt gesteund door de geneeskunde die vindt dat melk gezond is. Daardoor is de gemiddelde leek verbaasd als hij voor het eerst hoort dat melk schadelijk is voor de gezondheid. Zo blijkt een groot deel van de mensen met astmaklachten geholpen te zijn met een melkvrij dieet en ondersteuning van het DPP-IV-enzym. Terwijl er alleen al in Nederland in 2003 bijna 3 miljard euro werd uitgegeven aan het behandelen van astma en COPD.

Koeien drinken geen koemelk.
Een volwassen koe eet gras.
Koemelk is slechts voor één dier bestemd: namelijk het jonge, pasgeboren kalf.

Melk is een slechte leverancier van calcium omdat maar 6% daarvan wordt opgenomen. In melk zit net zoals in de meeste frisdranken veel fosfor, wat de nare gewoonte heeft calcium te verwijderen uit de botten. In Nederland, het land met het hoogste melkverbruik, komt osteoporose dan ook het meest voor. Als een vrouw tijdens de zwangerschap veel zuivelproducten consumeert, ‘verbruikt’ ze haar IgA-antistoffen. Het kind krijgt daardoor te weinig IgA van de moeder en kan op melk reageren met astma, allergieën en diarree. Melk remt echter ook de intrinsic factor, die nodig is voor opname van vitamine B12.

Zonder dieper in te gaan op de ellende die zuivel veroorzaakt zoals kalkverlies uit de botten en heupfracturen bij oudere mensen R, wil ik het hier vooral hebben over het verband met endorfine en het DPP-IV enzym. Want daar gaat deze website tenslotte over. Wil je meer lezen over de verborgen aspecten van melk, dan biedt deze Nederlandstalige site een goed overzicht.

  • Caseïne is een exorfinen leverancier. 82% van de eiwitten in koemelk is caseïne, de resterende 18% is wei. 4% van het totaalgewicht van koemelk is caseïne R.
  • 40% van de eiwitten in moedermelk is caseïne, de resterende 60% is wei. 0,2% van het totaalgewicht van humane melk is caseïne. Daarmee bevat koemelk 40 keer meer caseïne en exorfinen dan moedermelk.
  • Kaas bevat 300 tot 600 keer meer caseïne dan moedermelk (Goudakaas bevat 8 keer en Parmezaanse kaas 16 keer meer caseïne dan koemelk R)
  • Exorfinen hechten zich op de edorfine receptoren R en R2.  Daarmee geven ze de genen een ‘vals’ signaal dat er voldoende endorfine rondgaat, waardoor de werking van het endorfinesysteem afneemt.
  • Exorfinen uit koemelk remmen de activiteit van het DPP-IV-enzym en verminderen op deze manier de werking van het endorfinesysteem. De toename van auto-immuun- en hart- en vaatziekten staat in verhouding met het melkverbruik per inwoner van een land R. De resultaten zijn grotendeels afkomstig uit grootschalig bevolkingsonderzoek in tientallen landen. Meerdere factoren spelen bij genoemde ziekten een rol. Vooral het Mediterraan dieet met de DPP-IV stimulerende activiteit van olijfolie zou een rol kunnen spelen in de verklaring waarom in Mediterrane landen minder hartziekten voorkomen.

Kwik uit voeding

Kwik is een sterke DPP-IV remmer R en R2 en vermindert de werking van het endorifnesysteem R. Veruit het meest voorkomend kwik in de natuur is het methylkwik, voornamelijk terug te vinden in het vetweefsel van vissen. Waterverontreiniging kan zorgen voor verhoogde concentraties methylkwik bij vissen, vooral bij grote vissen met een hoog vetgehalte zoals tonijn en zwaardvis. De lijst met te mijden vissoorten kun je terugvinden op deze pagina. Melk verhoogt de biologische beschikbaarheid van kwik met factor 10 R. Andere bronnen van kwik zijn amalgaam in tandvullingen, verbrandingsovens en spaarlampen. Volgens diverse studies bevat meer dan de helft van de producten met glucose-fructosestroop (bv. frisdranken) kwik R en R2.

Andere voedingsproducten die in het verleden met kwik in verband zijn gebracht: soda, havermoutvlokken van Quaker R, Nesquick chocolademelk R en cola R. De volledige lijst met voeding en merknamen die kwik bevatten vind je op deze pagina.

Suiker

We zijn de laatste decennia steeds meer suiker gaan eten. Wereldwijd bedroeg de consumptie per inwoner 5 kg in 1900 en 23 kg in 2005. In westerse landen is de consumptie per inwoner toegenomen tot 35 kg in Europa en 50 kg in Amerika. Exact cijfermateriaal is niet voorhanden, maar je kunt wel stellen dat de verdeling tegenwoordig is: 80% suiker en 20% kunstmatige zoetstoffen. Met een stijgend aandeel voor stevia dat lange tijd verboden was in Europa.

Omdat suiker de laatste tijd steeds meer in een slecht daglicht komt te staan, hebben suikerfabrikanten een ‘suikercharmeoffensief’ gestart. Daarin beweren ze dat suiker niets te maken heeft met insulineresistentie of zelfs overgewicht. Als we de fabrikanten moeten geloven is suiker noodzakelijk om te kunnen leven. Hier bespreken we vooral de onderzoeken die verband houden met het endorfinesysteem. Vanwege de invloed die de Amerikaanse suikerlobby heeft op het FDA en de Amerikaanse overheid, is het niet zo gemakkelijk om objectieve studies te vinden die niet (zouden) zijn gesponsord via een of ander (verborgen agenda) achterdeurtje.

Suiker activeert het dopamine beloningssysteem en het endorfinesysteem

  • Suiker stimuleert het dopamine- en endorfinesysteem R. Eerst activeert hij de endorfine receptoren, waarna er meer dopamine wordt vrijgegeven R. Suiker activeert bovendien het OPRM1-gen waardoor er meer signaalstoffen (endorfine en dopamine) worden vrijgegeven R. Dit proces heet ‘sensitisatie’ waardoor er tijdelijk abnormaal grote hoeveelheden van een signaalstof vrijkomen. Dit wordt gevolgd door een dopaminedrop. Langdurige sensitisatie (jarenlang gebruik) kan leiden tot een desensitisatie. Dit betekent dat het lichaam het actieveld van een signaalstof probeert te normaliseren door het gen in ‘slaapstand’ te zetten. Bij een desensitisatie worden er minder receptoren aangemaakt zodat dopamine minder geactiveerd kan worden op de receptoren. Dit wordt ook wel uitgedrukt als resistentie (endogene stoffen, bv. dopamine of insuline) of tolerantie (lichaamsvreemde stoffen, bv. drugs) R.
    Onderzoek wijst uit dat bij overmatig suikerverbruik het lichaam het betreffende gen uitzet als antagonist zodat de endorfinereceptoren worden geblokkeerd. De overstimulatie die suiker en andere endorfinestimulators veroorzaken op de endorfinereceptoren is de hoofdreden van verslavingen, eetstoornissen en overgewicht R.

Het endorfine systeem reguleert de insuline gevoeligheid 

De afgifte en de gevoeligheid van insuline worden gemoduleerd door de endorfinereceptoren en het OPRM1-gen. Chronische overbelasting van de endorfinereceptoren door suiker, stress, alcohol en andere endorfinestimuli, kan een receptordesensitisatie veroorzaken. Het lichaam zal vanwege de chronisch hoge endorfinewaarden de endorfinereceptoren via een ‘slaapstand’ van het OPRM1-gen inactiveren. Op deze manier probeert het lichaam (tevergeefs) het evenwicht te herstellen. Endorfinereceptordesensitisatie verstoort de regulatie van insuline. Een van de voornaamste oorzaken is een langdurige exorfinenbelasting. Exorfinen veroorzaken net zoals andere opioïden een endorfinereceptordesensitisatie met insulineresistentie tot gevolg R en R2 en R3 en R4 en R5 en R6 .

  • Bij mensen met diabetes type 2 neemt de afgifte van insuline toe en dalen de bloedsuikerwaarden na injectie met endorfine R.
  • Activatie van de endorfine receptoren herstelt de insuline-resistentie bij obesitas R.
  • Inactivatie van de endorfine receptoren heeft vier gevolgen: gewichtstoename, opeenstapeling van vetweefsel, verminderde glucosetolerantie en insuline-resistentie die gepaard gaat met hyperinsulinemie R. Een verminderde glucosetolerantie leidt op oudere leeftijd bij gezonde mensen tot geheugenverlies door atrofie van de hippocampus R.

Suiker is een kanker stimulerende stof

 Het risico op kanker houdt verband met de regulatie van de bloedsuikerspiegel. Onderzoek wijst uit dat een hoge bloedsuiker de kans op kanker aanzienlijk verhoogt R.  Volgens een recent (2011) oncologisch onderzoek is de ernst van de kanker in verhouding met de hoge bloedsuiker waarden R. Niet zo gek als je nagaat dat kankercellen zich voornamelijk voeden met glucose.

De verslavende effecten van suiker

Suiker is een stof die snel gewenning oproept. Onderzoek R wijst uit dat de drang naar suiker overeenkomt met de vijf punten van een middelenverslaving:

  1. Binge-eten: (vr)eetbuien of compulsief eten. Binge-eten lijkt in veel opzichten op boulimia nervosa met dit verschil dat iemand met eetbuien na een eetbui niet overgeeft of laxeermiddelen gebruikt. Het treft 3% van de bevolking en wordt in Amerika aangeduid met de term  ‘Binge Eating Disorder‘ (BED). Bijna 30% van de mensen die willen afvallen, heeft last van BED. Het veroorzaakt een sterke stimulatie van de endorfinereceptoren die vervolgens het signaal geven om meer dopamine vrij te geven. BED is dus een manier om dopamine te scoren. Andere vormen van ‘binge-gedrag’ zijn compulsief alcohol drinken of drugs gebruiken en dwangmatig of herhalend gedrag.
  2. Ontwenningsverschijnselen: de onthoudingsverschijnselen treden vrij snel op omdat BED leidt tot sterke dopamineschommelingen. Na de dopaminepiek volgt al vrij snel een dopamineval. Dit betekent dat het dopaminepeil na een eet- of suikerbui flink onder het normale peil zakt R en dat het langer (dan normaal) duurt om weer op een normaal peil te komen. De symptomen zijn onrust, stressgevoeligheid en prikkelbaarheid R.
  3. Craving: extreme trek hebben. Dit wordt ook wel het derde stadium genoemd in verslaving. Craving is een manier om de onthoudingsverschijnselen weg te werken.
  4. Kruis-sensitisatie: (Eng. ‘cross-sensitization’) betekent een toegenomen verlangen naar een ander middel, drug of geneesmiddel dan datgene waaraan men al verslaafd was. Meestal betreft het hier koffie, junkfood, chocolade, drugs (bv. amfetamine of cocaïne) of psychostimulerende geneesmiddelen zoals methylfenidaat en andere amfetaminederivaten.
  5. Gateway effect: de theorie dat een verslaving aan een substantie leidt tot het gebruik van meer gevaarlijke middelen zoals drugs.

Vetten

Er gaan heel wat fabels rond over vetten. Zo zou plantaardig frituren beter zijn dan frituren in dierlijke vetten (bv. ossewit). Van alle vetsoorten is ossewit het beste bestand tegen oxydatie en kan het beter tegen hogere temperaturen dan de meeste plantaardige vetten (met uitzondering van rijstolie en kokosolie).
Daarnaast zou cholesterol slecht zijn, terwijl 48 onderzoeken het omgekeerde bevestigen. Daaruit blijkt vooral dat een te lage cholesterol de kans op voortijdig overlijden bij ouderen verdubbelt R. Een conclusie die je niet zo snel zult vernemen van de producenten van statines. De reële bedreiging is of de bloedvetten al dan niet aan de bloedvatwanden blijven ‘plakken’. Daarvoor is een goede werking van het paraoxonase-enzym nodig (zie onderwerp ‘paraoxonase